Geschiedenis Tropenmuseum

Geschiedenis Tropenmuseum

Een museum over mensen

Het Tropenmuseum is gevestigd in een van de mooiste originele museumgebouwen van Nederland. De objecten vertellen stuk voor stuk een menselijk verhaal en maken nieuwsgierig naar de enorme culturele diversiteit die de wereld rijk is. Ze vertellen over universele menselijke thema’s zoals rouwen, vieren, versieren, bidden of vechten. Van Afrika tot West- en Zuidoost-Azië, van Nieuw-Guinea tot Latijns-Amerika: in het Tropenmuseum ontdek je dat we op de verschillen na, allemaal hetzelfde zijn: mens.

Van Koloniaal naar Tropen

Misschien wel het mooiste gebouw in Amsterdam-Oost: het Tropenmuseum。 Imposant en sinds enkele recente ingrepen aan de voorkant goed zichtbaar vanaf de Linnaeusstraat。 Het museum opende in 1926 als een van de onderdelen van het grotere Koloniaal Instituut。 Dit instituut werd  in opdracht van verschillende sponsoren, waaronder het Ministerie van Koloniën, gebouwd。 

Er waren drie afdelingen: Het Handelsmuseum, Tropische Hygiëne en Volkenkunde, elk met  een eigen verzameling en tentoonstellingsruimte in het museum。 De statuten van het Koloniaal Instituut noemen twee hoofdredenen van bestaan: het verzamelen en verbreiden van kennis over de overzeese gewesten (koloniale propaganda) en het behartigen van alle uit koloniaal bezit voortvloeiende belangen, voor zowel Nederland als de koloniën (van Duuren, 1990:25)。 

In 1926 was het instituut het grootste gebouw van Amsterdam. Er was ruim 16 jaar aan gewerkt, nadat in 1910 de Vereeniging Koloniaal Instituut was opgericht om het instituut vorm te geven. De locatie werd de Oosterbegraafplaats, die toen verplaatst werd naar buiten de stadsgrenzen. Maar waar kwam de collectie eigenlijk vandaan?

Koloniaal Museum Haarlem

Ruim 70 jaar eerder had een Haarlems botanicus een lumineus idee gekregen: waarom niet collecties van allerlei materialen uit de koloniën bijeenbrengen in een museum? 

Deze Frederik Willem van Eeden, vader van de beroemde schrijver, wist het hoofdbestuur van zijn werkgever, de Maatschappij ter Bevordering van Nijverheid, te overtuigen van het belang van een ‘museum van grondstoffen, natuurvoortbrengselen en volksvlijt uit de Nederlandsche Overzeesche bezittingen en koloniën。’ In 1864 kreeg hij de opdracht een verzameling aan te leggen。 Hij deed dit in eerste instantie op zijn eigen, enorme zolder。 

Foto: Frederik Willen van Eeden. Collectie Nationaal Museum van Wereldculturen. 

Frederik Willen van Eeden

Gelukkig zag men in dat dit initiatief te belangrijk was en meer ruimte nodig had。 De verzameling kreeg van Thorbecke, toenmalig minister van Binnenlandse Zaken, een gratis onderkomen in Paviljoen Welgelegen in Haarlem。 En in 1871 opende het Koloniaal Museum daar zijn deuren。 De collectie bestond uit  een verzameling van verschillende koloniale producten en informatie over hun hun toepassingen。 Voor een volkenkundige beschrijving van levenswijzen of culturen was toen slechts beperkt sprake。 Directeur van Eeden keek vooral naar de toepassingen van lokale materialen uit de koloniën。 Hij meende dat de creatieve prestaties van daar een inspiratie konden vormen voor ambachten in Europa。 Toch bleef ook voor hem de materialiteit het belangrijkst: het Koloniaal Museum in Haarlem bleef vooral een productenmuseum。 

Paviljoen Welgelegen, Haarlem. Collectie Nationaal Museum van Wereldculturen.
Paviljoen Welgelegen, Haarlem. Collectie Nationaal Museum van Wereldculturen.

Artis

Een jaar of veertig na de oprichting van het museum in Haarlem, vonden vanwege de krappe behuizing en de niet ideale locatie gesprekken plaats, waarin nagedacht werd over een nieuw Koloniaal Museum in de hoofdstad。 

Rond diezelfde tijd wilde de nabijgelegen dierentuin Artis af van haar etnografische collectie. Vanaf 1858 had Artis een eigen etnografisch museum met belangrijke voorwerpen uit Indonesië, Afrika en Nieuw-Guinea. In 1883 ontving het museum een groot deel van de op de grote Koloniale Wereldtentoonstelling in Amsterdam getoonde collectie. Toen prominente Amsterdammers in 1910 het Koloniaal Instituut oprichtten, besloot Artis vanwege andere ideeën over wat in een dierentuin thuishoort, de volkenkundige collectie aan het nieuwe museum af te staan. 

Deze twee collecties vormden de basis van de collectie van het huidige Tropenmuseum。 De objecten zijn nog te herkennen aan een H of A in hun inventarisnummer。 De collectie werd al snel uitgebreid met andere grote verzamelingen。 Meestal door schenkingen, ruil en aankopen。 

De eerste expo's

In de loop van de jaren worden er verschillende tentoonstellingen georganiseerd in het nieuwe Koloniaal Museum, dat feitelijk  uit drie afdelingen bestaat: Handelsmuseum (de collectie van Haarlem), Tropische Hygiëne en Volkenkunde (de collectie van Artis)。 De galerijen worden gebruikt voor vaste tentoonstellingen, terwijl de indrukwekkende Lichthof – de huidige Lichthal – zich vult met tijdelijke presentaties。 Vooral Indonesië krijgt, logischerwijs, veel aandacht in het museum。 

Het museum in oorlogstijd

In de Tweede Wereldoorlog vormt het Koloniaal Instituut de hoofdlocatie van de Duitse Grüne Polizei. Vanwege de enorme omvang van het gebouw, doet de bijzondere situatie zich voor dat ook  verzet vanuit het instituut opereert. Zo wordt in een van de tempelafgietsels in de Tempelkamer van het museum een radio verstopt! 

Na de oorlog verandert het Koloniaal Instituut haar naam in Indisch Instituut. Als Indonesië op 17 augustus 1945  onafhankelijk wordt, accepteert Nederland dat niet. Het Indisch Instituut is dan betrokken bij de voorbereidingen van soldaten die tegen de Indonesische onafhankelijkheid gaan strijden.  Er komen ‘politionele acties’, een eufemistische term voor de gewelddadige acties tegen de onafhankelijkheid. 

Weer een nieuwe naam

De politiek wordt door de werkelijkheid ingehaald en kort daarna moet het museum opnieuw haar naam weer veranderen. Het wordt het Tropenmuseum, als onderdeel van het Koninklijk Instituut voor de Tropen. Het valt niet langer onder het Ministerie van Koloniën maar onder Buitenlandse Zaken en richt zich vanaf dan op tropische landen. Aangezien de collectie opdat moment voornamelijk bestaat uit voorwerpen uit de (voormalige) koloniën moet  deze flink uitgebreid worden. Een deel van de bestaande verzameling wordt geruild met of verkocht aan andere musea. Aanvankelijk ligt het maken van tentoonstellingen over Indonesië gevoelig en richt de aandacht zich onder ander op Papua, dat tot 1962 nog onder Nederlands gezag viel.

Verbouwing jaren '70

Een nieuwe koerswijziging volgt: in de jaren ’70 richt het museum zich op het tonen van ontwikkelingslanden en hun problematiek。 Er komen tentoonstellingen met relatief goedkoop verkregen gebruiksvoorwerpen, geluidsopnames en nagebouwde ‘dorpstaferelen’: voor die tijd zeer vernieuwende tentoonstellingsvormen。 Dit vereist een uitgebreide verbouwing。 De trap aan de voorkant wordt gesloopt en de entree komt een verdieping lager。 De betegelde vloeren van de museumzalen worden voorzien van een houten vloer, o。a。 voor geluidsdemping。 Een aangebouwde vleugel aan het voormalig restaurant  maakt ruimte voor het kindermuseum Tropenmuseum Junior en het Tropentheater die in 1975 openen。 

Recente geschiedenis

Vanaf de jaren ‘90 richt het museum de verschillende afdelingen opnieuw in. Het organiseert spraakmakende tijdelijke tentoonstellingen, met nieuwe tentoonstellingstechnieken. In  2014 fuseert het met Museum Volkenkunde in Leiden en het Afrika Museum in Berg en Dal tot het Nationaal Museum van Wereldculturen. Het valt vanaf dat moment onder het ministerie van OCW en de collectie maakt nu deel uit van de Nationale collectie.   

Hieronder een greep uit de posters van tentoonstellingen in het Tropenmuseum door de jaren heen.

AG体育 彩票万能公式 海南4+1走势图 体育赛事 山东群英会app下载